Het christendom is vanaf de vijfde eeuw bewijsbaar in Maastricht aanwezig. Grafstenen en aardewerk met christelijke symbolen getuigen daarvan. Het aardewerk werd ten zuiden van de Onze-Lieve-Vrouwekerk gevonden; de grafstenen komen van het Romeinse grafveld, gelegen op het eerste Maasterras ten westen van de versterkte bruggehoofden aan weerszijden van de Romeinse Maasbrug. Het grafveld lag duidelijk van de grote legerweg van Keulen naar de Kanaalkust, die in Maastricht de Maas kruiste en de directe oorzaak is van het ontstaan van de stad.
Rond 450 na Christus werd op dat grafveld Servatius begraven, bisschop van de Tongeren. Boven zijn graf verrees een Romeinse stenen Herdenkingskapel van ongeveer vier bij vier meter, met een ingang gekeerd naar de Romeinse weg. Vlak ernaast werd een doopbekken aangetroffen.
Van Servatius is alleen bekend, via een getuigenis van de historicus-bisschop Gregorius van Tours een eeuw na zijn overlijden, dat hij begraven werd “aan de grote weg bij de brug” en dat Monulphus, een van zijn opvolgers als bisschop van de Tongeren, eind zesde, begin zevende eeuw een 'grote kerk' boven zijn graf bouwde. Daarmee wekte bisschop Monulphus zijn voorganger Servaas als het ware tot leven. Bij de 'grote grafkerk' ontstond namelijk spoedig een abdij en vlak erbij verrezen de palts, een tijd lang het regeringscentrum van het Middenrijk “Lotharingen”, en het eerste Witte-Vrouwenklooster.
Samen met de erbij behorende ondersteunende gebouwen vormden zij de tweede stad, nog lang afgezonderd van de eerste stad, die tot stand was gekomen in en rond het Maastrichtse bruggenhoofd. In dat voormalige castrum was de Romeinse tempel omstreeks 400 vervangen door een christelijke kerk, de zetel van de bisschoppen van de Tongeren te Maastricht. Bisschops- en Grafkerk, als middelpunten van twee ommuurde, stedelijke nederzettingen, vormen de basis van het latere tweeherige Maastricht, één stad van de bisschop (van Luik), de andere van de Duitse keizer en later de hertog (van Brabant).